Ik had op den bodem mijns harten
Een graf voor mijn liefde gemaakt.
Ik had voor mijn dwaze gedachten
Het graf van mij doode bewaakt.
O droom, dien ik heden droomde,
Wat hebt gij mij nù gedaan?
Gij liet de gedachten binnen,
Die nooit mochten binnengaan!
Gedachten, o valsche gedachten!
Toen zijt gij verraderlijk zacht
In ‘t duister naar binnen geslopen,
Gelijk een dief in den nacht!
Ik sliep; en toen ik ontwaakte,
Hoe breng ik mijn hart weer tot rust!
Toen hadden die stoute gedachten
Mijn liefde wakker gekust.
Jacqueline E. van der Waals
